
Dit onderzoek werd uitgevoerd in de periode juli 1998 - augustus 1999 aan het Geografisch Instituut van de Vrije Universiteit Brussel o.l.v. Prof. W. De Lannoy. Het studiewerk werd verricht door Stefan De Corte met medewerking van Mia Lammens en Tom Callens.
Brussel wordt in een honderdtal woongebieden afgebakend op basis van (a) een statistisch onderzoek en (b) een uitgebreide terreincontrole. Hierbij wordt gebruik gemaakt van statistische sectoren, de kleinste ruimtelijke indeling van Brussel waarvoor data beschikbaar zijn over bewoners en huisvesting. Brussel telt ruim 700 van deze statistische sectoren, die samengevoegd zijn tot 100 gebieden. Bepaalde statistische sectoren worden hierbij uitgesloten, zoals degenen met minder dan 200 inwoners, sectoren met uitsluitend hoogbouw en sectoren die samenvallen met sociale woonwijken. Deze 100 woongebeiden worden geïnventariseerd en beknopt beschreven. Vervolgens worden deze in 12 groepen (types) ingedeeld die een overzicht geven van de woonmogelijkheden in het Brussels hoofdstedelijk gewest.
Hoe worden 700 sectoren naar 100 gebieden herleid?
Er word gebruik gemaakt van twee statistische groeperingstechnieken
: factoranalyse en clusteranalyse. Factoranalyse
is een statistisch-wiskundige techniek die toelaat om uit
een omvangrijke dataset een klein aantal variabelen te kiezen
die deze dataset het best samenvatten. Dit beperkt
aantal variabelen wordt vervolgens gebruikt om de statistische
sectoren te clusteren. Deze techniek laat toe om de
statistische sectoren die het meest op elkaar gelijken (volgens
de gekozen variabelen) in eenzelfde groep onder te brengen.
Deze clustering dient als basis voor het terreinwerk
. Ook bij het bepalen van de 12 woontypes
wordt rekening gehouden met de uitgevoerde clusteranalyse.
Van welke uitgebreide dataset is dit onderzoek gestart?
Dit onderzoek vertrekt van de Volks- en Woningtelling van
1991. Deze bevat informatie over zowel inwoners als
hun huisvestingssituatie. Voor de inwoners beschikken
we over demografische gegevens (leeftijdsstructuur en gezinssamenstelling),
sociaal-economische gegevens (tewerkstellingsstructuur en
scholingsgraad) en etnische gegevens (nationaliteit). Er wordt
ook gebruik gemaakt van inkomensgegevens (afkomstig uit de
jaarlijkse inkomensstatistieken 1993). De huisvestingsgegevens
hebben betrekking op de ouderdom van de woning, het type woongebouw,
de uitrusting, de eigendomstitel, ...
Volgens welke variabelen wordt er geclusterd?
Uit de hoger vermelde dataset (38 variabelen in totaal) werden
d.m.v. een factoranalyse zeven variabelen weerhouden:
- jongeren (0-14 jarigen)
- grote gezinnen (5 of meer leden)
- diplomahouders hoger onderwijs
- inkomen per bewoner
- Noord-Europeanen (Britten, Duitsers, Nederlanders en Fransen)
- ééngezinshuizen
- aantal vertrekken per woning
Op basis van deze variabelen, aangevuld met een variabele over de ligging van de statistische sectoren (afstand tot de Grote Markt) wordt een clusteranalyse uitgevoerd. Daarnaast worden ook verschillende andere combinaties van variabelen getest, waarbij telkens ongeveer hetzelfde resultaat bekomen wordt.
Hoe verliep het terreinwerk?
Het resultaat van de clusteranalyse wordt gebruikt om op het
terrein uitvoerig te controleren welke statistische sectoren
het best bij elkaar passen. Hierbij wordt flexibel te werk
gegaan. Dit wil zeggen dat statistische sectoren die tot een
verschillende cluster behoren toch bij elkaar werden
gevoegd als bleek dat zij grote gelijkenissen met elkaar vertonen
(bv. visueel, bouwstijl, stedenbouwkundig geheel). Er werd
evenwel getracht zo veel mogelijk het resultaat van de clusterananlyse
te behouden. In praktijk blijkt dat zeer goed mogelijk, want
in vele gevallen stemt de overgang tussen de twee clusters
overeen met een breuk (of ten minste een zichtbare overgang)
in het stedelijk landschap (verschillende bouwstijl, andere
soort buurt, ...).Bij de definitieve afbakening van de 100 gebieden wordt getracht om homogene woonzones samen te stellen. Brussel is hiervoor geen dankbaar studieobject. Door de weing geplande ontwikkeling van dit gewest vertonen vele gebieden een onsamenhangende structuur. Het is soms een ware puzzel van uiteenlopende bebouwing en architecturale stijlen. Sommige van de afgebakende gebieden vertonen hierdoor een grote interne verscheidenheid, zoals bijvoorbeeld het centrum van Sint-Agatha Berchem of het centrum van Watermaal. Andere gebieden daarentegen hebben een grote visuele homogeniteit, zoals bijvoorbeeld Machtens of Vronerode. Het uitgebreid terreinwerk heeft ons toegelaten om de statistische analyse van de huisvestingskenmerken en de bewonerssamenstelling aan te vullen met stedenbouwkundige informatie.
Wat wordt in kaart gebracht?
De honderd afgebakende woonzones werden in kaartgebracht.
Hierop zijn straten en de belangrijkste straatnamen aangeduid
samen met de omtrek van de gebouwen (waardoor de lezer een
idee krijgt van de bebouwingsdichtheid). Ook de lokale voorzieningen
worden vermeld. Naast de post, (buurt)supermarkten, overdekte
zwembaden, sportinfrastructuur (in openlucht), het gemeentehuis
en de politie worden op de kaarten ook de handelskernen
toegevoegd. De handelskern is veelal het meest levendige
deel van de wijk, waar meer volk op straat is dan elders en
waar men een grotere keuze heeft van winkels, cafés, brasseries
en restaurants. De kaarten laten toe om in een oogopslag te
zien of men te voet zijn inkopen kan doen of niet.Op de kaarten zijn eveneens groenzones aangeduid : parken, groengebieden, bosgebieden, wegbermen en begraafplaatsen. Het is opvallend hoeveel groenzones Brussel telt. Tenslotte zijn de kaarten ook voorzien van metro- en spoorwegstations. Dit is vooral handig voor wie verder van het centrum woont maar toch bereikbaar wil wonen.
De gebieden die in kaart worden gebracht hebben dezelfde kleur als de 12 woontypes die op de overzichtskaart te vinden zijn (A0 formaat). Ook worden de woongebieden die deel uitmaken van eenzelfde woontype bij elkaar geplaatst in deze inventaris.
Elk afgebakend woongebied is van een naam voorzien die verwijst naar één of meerdere gekende straten of pleinen die in het gebied liggen. Soms wordt ook gebruik gemaakt van plaatsnamen zoals de Marollen, de Noordwijk, Helmet, Scheut, ... . Dit wil niet zeggen dat onze afbakening precies overeenstemt met de begrenzing die door bewoners, dagelijkse gebruikers of de overheid gehanteerd worden (voor zover er überhaupt een precieze afbakening bestaat van deze plaatsen). Onze naamgeving heeft vooral tot doel de gebruikers van deze inventaris wegwijs te maken binnen Brussel door naar gekende straten, pleinen en plaatsnamen te verwijzen.
Wat vindt men op de cijferfiches?
Per gebied wordt een cijferfiche opgesteld met de belangrijkste
gegevens over inwoners en huisvesting . Om
de lezing van al dit cijfermateriaal te vergemakkelijken worden
ook de cijfers voor het hele Brussels Gewest toegevoegd, met
de vermelding of het verschil tussen beiden al dan niet groot
is (*1). Men vindt op deze fiches de belangrijkste
gegevens over de demografische samenstelling van de bewoners,
hun sociaal-economisch profiel en hun multiculturele achtergrond.
Hiervoor wordt getracht de meest recente gegevens te gebruiken.
De demografische en multiculturele samenstelling van de bewoners
geven de toestand weer op 1 januari 1997. Het inkomen per
bewoner heeft betrekking op de inkomsten tijdens het jaar
1996. De sociaal-economische gegevens dateren echter van 1
maart 1991, daar de bevolking slechts elke tien jaar sociaal-economisch
wordt doorgelicht tijdens de Volkstelling. Ook de huisvestingsvariabelen
dateren van 1 maart 1991. De huisvestingssituatie verandert
evenwel trager dan de bevolkingssamenstelling, waardoor de
gebruikte huisvestingsdata een betrouwbare weerspiegeling
zijn van de huidige toestand.Op de statistische fiche kan men aflezen hoeveel inwoners en gezinnen een woongebied telt. De overige gegevens zijn uitgedrukt als een percentage van de totale bevolking (leeftijdsstructuur en nationaliteit), van de werkende beroepsbevolking (economische kenmerken), van de bevolking die 18 jaar en ouder is en geen onderwijs meer volgt (scholingsgraad) en van het aantal bewoonde particuliere woningen (huisvesting). Het inkomen heeft betrekking op het inkomen per inwoner en wordt uitgedrukt ten opzichte van het Brussels gemiddelde.
Een bondig overzicht per woongebied.
Opdat u de fiche niet zelf zou moeten uitpluizen en interpreteren
werden de belangrijkste kenmerken in een tekst gegoten. Naast
de rubriek Woonomstandigheden en Wie woont hier
? werd een beknopte beschrijving opgenomen van het gebied.
Hierin wordt een bondig beeld geschetst van het gebied als
woonomgeving, waarbij aandacht uitgaat naar het soort stadsdeel
waarin dit gebied zich bevindt, de architectuur, de voorzieningen,
het groen, de bereikbaarheid en de meest opvallende kenmerken.De gebieden werden genummerd volgens het woontype waartoe ze behoren. Deze nummering bestaat uit een cijfer voor elk woontype (1 tot 12) en een letter. De letters worden zoveel mogelijk in wijzerzin toegekend (zie overzichtskaart). Deze inventaris bevat 99 afgebakende woongebieden met telkens een beschrijving, een cijferfiche en een kaart.
Huur- en koopprijzen.
Tijdens het onderzoek werd gestart met het aanleggen van een
databank met huur- en koopprijzen. De informatie
hiervoor werd gehaald van de VLAN-site op het internet www.vlan.be.
Hoewel deze databank ongeveer 1000 referenties bevat bleek
dit niet voldoende om een representatieve steekproef op te
stellen. De data waarop deze lijst is gebaseerd werd in een
apart boekdeel opgenomen met een korte beschrijving en een
evaluatie van het cijfermateriaal. Er werd ook een samenvattende
indicatieve lijst van huurprijzen opgesteld die evenwel
voorzichtig gebruikt dient te worden. Deze lijst geeft niet
meer dan een indicatie van de huurprijsverschillen
binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor verschillende
gebieden werden te weinig referenties verzameld om betrouwbare
uitspraken te doen over de gemiddelde huurprijzen. Mits een
doelgerichte aanvulling van de bestaande databank kan dit
evenwel opgelost worden.
Twaalf woontypes.
De honderd afgebakende woongebieden worden in 12 woontypes
onderverdeeld. Voortbouwend op de clusteranalyse, het veldwerk
en de gedetailleerde beschrijving worden de woongebieden met
een grote verwantschap bij elkaar gevoegd en in kaart gebracht
(zie overzichtskaart). Deze indeling moet toelaten op basis
van iemands woonwensen te bepalen welk stadsdeel (of welke
stadsdelen) het meest in aanmerking komen om te gaan wonen.
Vooraleer deze woontypes toe te lichten willen we waarschuwen
dat deze indeling meer homogeniteit suggereert dan er in werkelijkheid
bestaat. De meeste wijken hebben huisvesting van uiteenlopende
ouderdom en kwaliteit. Ook de bevolkingssamenstelling is veel
diverser in vele stadsdelen dan deze indeling suggereert.
We raden de lezer en gebruiker aan niet enkel de overzichtskaart
te gebruiken maar ook de fiches te raadplegen van de individuele
woongebieden. Deze weerspiegelen het best het zeer diverse
karakter van Brussel.
Klik hier voor de geraadpleegde werken.
| (*1) Dit werd bepaald op basis van de standaardafwijking t.o.v. het gemiddelde van de statistische sectoren die samen de 100 weerhouden gebieden vormen (dus niet het gemiddelde van alle statistische sectoren). Indien het cijfer binnen de standaardafwijking rond het gemiddelde ligt werd dit aangeduid met + (indien hoger dan het gemiddelde) of - (indien lager dan het gemiddelde). Ligt het cijfer tussen éénmaal en tweemaal de standaardafwijking dan krijgt men de vermelding hoog of laag. Cijfers groter of kleiner dan tweemaal de standaardafwijking worden aangeduid met zeer hoog en zeer laag. Aandachtige lezers zullen vaststellen dat soms een (-) gebruikt wordt, hoewel het cijfer voor het gebied boven het vermelde cijfer voor Brussel ligt. Dit komt in uitzonderlijke gevallen voor, doordat het gemiddelde van de 100 gebieden niet overeenstemt met het gemiddelde van het gehele Brusselse Gewest. Indien het cijfer voor een gebied zich situeert tussen beide gemiddelden krijgt men een omkering van het teken. |








